Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:12016

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
AWB 21/594
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering mvv-aanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiser, een Thaise nationaliteit dragende persoon geboren in 2003, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn mvv-aanvraag af te wijzen. De aanvraag was aanvankelijk buiten behandeling gesteld wegens niet-betaling van leges, waarna het bezwaar gegrond werd verklaard maar de aanvraag alsnog werd afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tijdens de zitting is gebleken dat eiser inmiddels een nieuwe mvv-aanvraag heeft ingediend die is ingewilligd, en dat hij inmiddels in Nederland verblijft. Verweerder stelde dat er geen procesbelang meer is omdat eiser materieel niet in een gunstigere positie kan komen door handhaving van het beroep tegen de eerdere weigering. Eiser betwistte dit en stelde belang te hebben bij een eerdere ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning.

De rechtbank oordeelt dat een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet kan leiden tot een mvv met een eerdere datum. De discussie over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning hoort niet thuis in deze mvv-procedure. Omdat er geen procesbelang is, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst de gronden van het beroep af zonder inhoudelijke bespreking. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de mvv-aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/594
V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. Ö Saraç.
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Visschers.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 januari 2021 (het bestreden besluit).
De behandeling van dit beroep heeft samen met de behandeling van de zaak AWB 20/8149 plaatsgevonden op 2 september 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig mr. A.A. Agayev, een collega van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting is het onderzoek niet gesloten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende gronden van beroep van 23 augustus 2021 in de zaak AWB 20/8149 en eiser de gelegenheid gegeven om hierop te reageren. Op 14 oktober 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 2003 en heeft de Thaise nationaliteit. Hij wenst verblijf in Nederland bij zijn moeder [Naam 2] (referente). Bij besluit van 23 juli 2020 is de aanvraag voor een mvv [1] van 5 juni 2020 buiten behandeling gesteld, omdat de leges niet zijn betaald. In het bestreden besluit is het bezwaar gegrond verklaard en de alsnog in behandeling genomen aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. [2]
2. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat eiser hangende het beroep in de onderhavige procedure (weer) een nieuwe mvv-aanvraag heeft ingediend. [3] Deze aanvraag is ingewilligd en eiser is inmiddels in Nederland. Eiser heeft zowel in de beroepsgronden als ter zitting naar voren gebracht dat verweerder in deze zaak diende over te gaan tot een proceskostenveroordeling en dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar een eerdere afwijzing, omdat er zich tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar nieuwe feiten hebben voorgedaan. Ook is de hoorplicht geschonden.
3. Omdat verweerder voor de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van de aanvullende beroepsgronden van 23 augustus 2021 en verweerder pas ter zitting op de hoogte is geraakt van het feit dat eiser inmiddels al in Nederland is, is verweerder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het ter zitting aangevoerde.
4. Bij brief van 27 september 2021 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen procesbelang meer is, nu eiser met de inmiddels verleende mvv materieel gezien niet in een gunstigere positie kan geraken door handhaving van het beroep. Eiser heeft inmiddels een verblijfsvergunning aangevraagd. De handhaving noch de eventuele gegrondverklaring van het beroep tegen de weigering van de eerder gevraagde mvv, kan ertoe leiden dat aan eiser alsnog een mvv met een andere datum verleend wordt. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat mogelijkerwijs een materieel belang is gelegen in een eerdere ingangsdatum van de aangevraagde verblijfsvergunning, maar dat deze discussie niet thuis hoort in deze mvv-procedure.
5. Bij brief van 12 oktober 2021 heeft eiser gereageerd op de brief van verweerder van 27 september 2021. Eiser persisteert in zijn standpunt dat er wel degelijk procesbelang is, hij heeft namelijk belang bij een eerder ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning.
De rechtbank overweegt als volgt.
6. Vaststaat dat eiser inmiddels al in Nederland is en een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning. Een eventueel oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak ten onrechte geen mvv heeft verstrekt, maakt niet dat aan eiser alsnog een mvv met een eerdere datum verleend wordt. Zoals verweerder terecht opmerkt, is er mogelijkerwijs een materieel belang gelegen in een eerdere ingangsdatum van de aangevraagde verblijfsvergunning, maar hoort die discussie niet thuis in deze mvv-procedure. Eiser kan dan ook niet in een materieel gunstigere positie geraken door een inhoudelijke beoordeling van deze zaak.
7. Omdat er geen procesbelang is, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard en behoeven de gronden van het beroep geen bespreking.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, op 28 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.In januari 2021.