Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:1205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
8925469 EJ VERZ 20-86927
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 3 Verordening Brussel-II bisArt. 8 Verordening Brussel-II bisArt. 262-268 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1643 Bürgerliches Gesetzbuch
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtigingsverzoek voor procedure namens minderjarige tegen luchtvaartmaatschappij

Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige woonachtig in Duitsland, verzochten de kantonrechter om machtiging om namens de minderjarige een procedure te starten tegen Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft voor financiële compensatie. De rechtbank moest eerst vaststellen of zij bevoegd was, gezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Duitsland.

Op grond van de Verordening Brussel-II bis is in beginsel de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd. Echter, artikel 12 lid 3 van Pro deze verordening biedt uitzonderingen waarbij de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn als het kind een nauwe band met Nederland heeft, de bevoegdheid uitdrukkelijk is aanvaard en het belang van het kind dit rechtvaardigt. De kantonrechter stelde vast dat aan deze voorwaarden was voldaan en verklaarde zich bevoegd.

Vervolgens werd beoordeeld welk recht van toepassing is. Volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 geldt het recht van de staat van gewone verblijfplaats van het kind, hier Duitsland. Volgens het Duitse Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch) is voor het voeren van een gerechtelijke procedure namens een minderjarige geen machtiging van de familierechtbank vereist. Hierdoor was het machtigingsverzoek overbodig en werd het afgewezen.

De kantonrechter wees het verzoek af omdat verzoekers geen belang hadden bij het machtigingsverzoek. De beschikking werd uitgesproken op 19 februari 2021 door mr. M.S. Vonck.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging om namens de minderjarige een procedure te voeren tegen Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft is afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Gravenhage
NM
Zaaknr.: 8925469 \ EJ VERZ 20-86927

Beschikking van de kantonrechter op het verzoek van:

[verzoekster] en [verzoeker] ,

beiden wonende te [plaats] (Duitsland), [adres] ,
hierna te noemen: verzoekers.
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff.

Overwegingen

1. Op 8 december 2020 is op de griffie een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Het verzoek strekt ertoe verzoekers in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] ,

wonende en verblijvende te [plaats] (Duitsland), [adres] ,
machtiging te verlenen om namens de minderjarige een procedure te voeren tegen Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft om financiële compensatie te claimen.
2. Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, dient de kantonrechter vast te stellen of hem rechtsmacht toekomt.
3. In dit geval is de Verordening van de Raad van Europa van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel-II bis) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van Pro de Verordening Brussel-II bis is in zaken zoals de onderhavige in beginsel bevoegd het gerecht van de lidstaat waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft. In dit geval is daarom in beginsel de rechter in Duitsland bevoegd om op het verzoek te beslissen. Op basis van artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis kan evenwel ook de Nederlandse rechter bevoegd zijn, indien het kind een nauwe band heeft met Nederland èn de bevoegdheid uitdrukkelijk is aanvaard èn de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
4. Verzoekers hebben zich desgevraagd bij brief van 14 januari 2021 uitgelaten over de vraag of van de in artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis bedoelde situatie sprake is. De kantonrechter is op basis van hetgeen naar voren is gebracht wel gebleken dat zich hier een situatie als bedoeld in artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis voordoet. De kantonrechter zal zich daarom bevoegd verklaren.
5. Nu op grond van de artikelen 262 tot en met 268 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen andere rechter wordt aangewezen, is de kantonrechter te Den Haag bevoegd op het onderhavige verzoekschrift te beslissen.
6. De kantonrechter dient voorts vast te stellen welk recht in dit geval dient te worden toegepast. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Artikel 17 van Pro het Verdrag bepaalt dat de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het onderhavige machtigingsverzoek dient derhalve te worden beoordeeld naar het recht van Duitsland.
7. In artikel 1643 van Pro het Bürgerliches Gesetzbuch staat beschreven voor welke juridische transacties de ouders van een minderjarig kind goedkeuring van de familierechtbank nodig hebben. Het voeren van een gerechtelijke procedure namens de minderjarige of het namens de minderjarige als eisende partij in rechte optreden staat niet in voormeld artikel genoemd als transactie waarvoor de ouders goedkeuring van de familierechtbank nodig hebben. Dat betekent dat verzoekers dus geen goedkeuring van de rechter nodig hebben om namens de minderjarige een procedure te voeren tegen de Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft om financiële compensatie te claimen. Verzoekers hebben geen belang bij hun verzoek, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:
- verklaart zich bevoegd om op het verzoek te beslissen;
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S. Vonck, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2021.
Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het Gerechtshof Den Haag hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.