ECLI:NL:RBDHA:2021:12151
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning familie- en gezinsleven
Verzoekers, beiden van Surinaamse nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro). De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten afgewezen. Verzoekers maakten bezwaar en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
Tijdens de mondelinge behandeling op 21 september 2021 verschenen verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder was niet aanwezig. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af omdat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat sprake was van beschermenswaardig familieleven. Verzoekers hadden geen ondersteunende stukken overgelegd en het bleek dat verzoekster inmiddels een nieuwe partner heeft, terwijl verzoeker geen contact heeft met de referent.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekers werden vrijgesteld van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van beschermenswaardig familieleven.