ECLI:NL:RBDHA:2021:12152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
AMS 21/330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van familie- en gezinsleven

Verzoekster, een Venezolaanse vrouw die sinds 2018 in Nederland verblijft bij een referente met een verblijfsvergunning, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familie- en gezinsleven. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en onvoldoende aantoonbare familierechtelijke relatie en hechte persoonlijke banden.

Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die haar uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De staatssecretaris verscheen niet op de zitting en nam geen standpunt in op de nadere stukken die verzoekster had ingediend, waaronder verklaringen en financiële bewijsstukken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel degelijk sprake is van een spoedeisend belang omdat de dreiging van uitzetting onverminderd aanwezig is. Gezien de ingediende stukken en het ontbreken van een inhoudelijk verweer van verweerder, is niet uitgesloten dat het bezwaar kans van slagen heeft. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting van verzoekster wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/330
V-nummer: [nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

21 september 2021 in de zaak tussen

[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 2002, van Venezolaanse nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde mr. F.M. Holwerda),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het uitoefenen van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is - met bericht van afwezigheid - niet verschenen. Tevens waren op de zitting aanwezig [naam referente] (referente) en
[naam] (ex-partner van referente). Als tolk Spaans was aanwezig A. Cavero.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.496,- te betalen door verweerder aan verzoekster.

Motivering

1. Verzoekster is op 27 mei 2018 in Lissabon aangekomen, waarna zij naar referente in Nederland is gekomen. Referente is in het bezit van een verblijfsvergunning in Nederland. Sinds haar komst naar Nederland verblijft verzoekster bij referente. Volgens verzoekster verricht referente alle zorg- en opvoedingstaken en zorgt zij ook financieel voor verzoekster.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf beschikt. Verweerder stelt dat de familierechtelijke relatie tussen verzoekster en referente niet is aangetoond. Verder stelt verweerder dat niet is aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt ten aanzien van het privéleven van verzoekster en heeft de belangenafweging in het nadeel van verzoekster laten uitvallen. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule.
3. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang, omdat er geen concrete plannen zijn om verzoekster uit te zetten. Met verzoekster volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet. Verweerder heeft het terugkeerbesluit niet ingetrokken of toegezegd dat verzoekster niet zal worden uitgezet zolang niet is beslist op het bezwaar. Dat betekent dat de dreiging van uitzetting uit Nederland onverkort aanwezig is.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster na het bestreden besluit verscheidene nadere stukken heeft ingediend, zoals verklaringen van vrienden, kennissen en haar psychotherapeut. Ook heeft verzoekster financiële stukken overgelegd, zoals betalingsbewijzen van school, telefoonkosten en kosten voor het openbaar vervoer. Deze stukken zijn van belang voor het beoordelen van verzoeksters aanvraag. Verweerder heeft echter geen standpunt ingenomen over deze stukken. In het verweerschrift wordt hier niet op ingegaan en verweerder is ook niet op de zitting verschenen om een inhoudelijk standpunt in te nemen. Bij deze stand van zaken kan dan ook niet worden gezegd dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 748,- en een wegingsfactor 1).
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
E.P.W. Kwakman mr. A.K. Mireku
griffier
voorzieningenrechter
afschrift verzonden op:
Conc.:
D:
VK

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.