Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[kind 2], V-nummer: [V-nummer] hierna gezamenlijk: verzoekers
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke niet in behandeling werd genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat Polen verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van hun asielaanvraag op grond van het Dublin-verdrag.
Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld tijdens een zitting via Skype, waarbij partijen niet aanwezig waren.
Gezien de gelijktijdige behandeling van soortgelijke zaken en de reeds geplande uitspraak in die zaken, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 19 januari 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening in de asielprocedure wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds in behandeling is.