Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:12168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
AWB 21/2886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit mvv wegens schending hoorplicht en onvoldoende beoordeling familie- en gezinsleven

Eiseres, een Syrische vrouw, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als familie- of gezinslid van haar zoon (referent) in Nederland, op grond van artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent, mede vanwege onvoldoende medische onderbouwing en het ontbreken van aantoonbare zorgafhankelijkheid.

Eiseres stelde in beroep dat zij zowel financieel als emotioneel afhankelijk is van referent en dat haar ernstige medische situatie dit bevestigt. De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond verklaarde en eiseres niet hoorde, terwijl nieuwe medische verklaringen ernstige zorgbehoeften aantonen. Ook was onvoldoende onderzoek gedaan naar de zorgmogelijkheden van andere familieleden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en veroordeelde verweerder in de proceskosten. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en onvoldoende beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie; verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/2886
V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiseres,

gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 april 2021 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [Naam 2], zoon van eiseres en referent en B. Lahhan, tolk. De termijn van het doen van uitspraak is eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [Geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit.
Op 25 februari 2020 heeft referent namens eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij referent in Nederland op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] .
Bij besluit van 31 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een
meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than the normal emotional ties).
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard.
Beoordelingskader
2. In geschil is of er tussen eiseres en referent en zijn gezin sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
3. Het is vaste jurisprudentie van het EHRM [2] dat pas kan worden gesproken van een beschermenswaardig gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’); er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). Het EHRM heeft dat bijvoorbeeld overwogen in rechtsoverweging 32 van het arrest in de zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk [3] . Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft ook geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
4. Uit de jurisprudentie van het EHRM, waaronder het arrest van Kopf en Liberda tegen Oostenrijk [4] , volgt verder dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.
5. Volgens de uitspraak van de Afdeling [5] van 4 april 2019 [6] is voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen een ouder en een niet-jongvolwassen meerderjarig kind vereist dat ‘more than the normal emotional ties’ bestaan, dat voor deze ‘ties’ onder meer financiële of materiële afhankelijkheid van belang kan zijn en dat verweerder hierbij zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven.
Standpunt verweerder
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen tussen eiseres en referent en zijn gezin.
Verweerder heeft daartoe -onder meer – overwogen dat het, gelet op de culturele gebruiken in Syrië gangbaar is dat kinderen voor hun ouders zorgen, dat er wisselend is verklaard over de periode van samenwoning en dat niet is aangetoond dat eiseres door de huidige situatie in Syrië niet de benodigde zorg en hulp kan krijgen. Over de medische situatie heeft verweerder overwogen dat uit de overgelegde kopie van een medische verklaring van 10 maart 2021 blijkt dat er sprake is van medische klachten, maar dat daaruit niet blijkt welke zorg eiseres naar aanleiding van haar gestelde klachten nodig heeft. Verder is niet gebleken dat eiseres afhankelijk is van de specifieke zorg en hulp van referent en zijn echtgenote. Evenmin is aangetoond dat niemand anders dan referent dan wel zijn echtgenote voor eiseres kunnen zorgen, zoals bijvoorbeeld haar dochter die in Libanon woont. Verder is de financiële afhankelijkheid van referent niet onderbouwd. Voor zover referent eiseres wel financieel ondersteunt stelt verweerder dat dit als gebruikelijk kan worden aangemerkt bij een normale band tussen een ouder een meerderjarig kind en dat deze steun op afstand kan worden voortgezet. Er is ook niet gebleken van hechte persoonlijk banden tussen eiseres en haar kleinkinderen, die de gebruikelijke banden tussen een grootouder en kleinkind overstijgen. Verweerder heeft geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en daarom eiseres niet in bezwaar gehoord.
Standpunt eiseres
7. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder de bijkomende elementen van afhankelijkheid onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Nu het gaat om de beoordeling van de hechte persoonlijke banden, is eiseres dan wel referent ten onrechte niet in bezwaar gehoord. Haar individuele omstandigheden zijn onvoldoende beoordeeld. Eiseres stelt dat zij zowel in financiële als emotionele zin afhankelijk is van referent en dat daarbij medische factoren spelen die maken dat zij niet in staat is om voor zichzelf te zorgen. Eiseres stelt daarbij dat zij al in Syrië werd verzorgd door referent en zijn echtgenote en dat er geen andere kinderen meer in Syrië wonen die voor haar kunnen zorgen. Haar dochter die in Libanon woont, kan gelet op de erbarmelijke omstandigheden in Libanon, niet voor haar moeder zorgen. Zij stelt verder dat zij een alleenstaande bejaarde vrouw is, dat zij zich in Syrië niet op een veilige manier staande kan houden, dat zij niet zelfstandig kan voorzien in haar dagelijkse behoefte en dat de medische zorg niet stabiel is.
Daarnaast stelt eiseres dat zij wel degelijk zeer hechte persoonlijke band heeft met haar kleinkinderen.
Oordeel van de rechtbank
8. Gelet op artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de hoofdregel dat verweerder verplicht is om de bezwaarde te horen voordat hij een beslissing op het bezwaar neemt. Een uitzondering is dat er niet gehoord hoeft te worden als het bezwaar kennelijk ongegrond is in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Hiervan is sprake als er naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang bezien met wat in eerste instantie door de aanvrager is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiseres dan wel referent kon worden afgezien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10. Eerst in bezwaar is een medische verklaring van de behandelend neuroloog van eiseres overgelegd ter onderbouwing van de medische situatie van eiseres. In deze verklaring van 10 maart 2021 staat vermeld dat eiseres lijdt aan geheugenverlies en dat zij zich plaatsen, tijden en personen niet goed kan herinneren. Voorts kan zij haar urine en ontlasting niet ophouden. Haar lichaam is voortdurend in beweging. Zij heeft aanvallen van agitatie en zij lijdt aan slaapstoornissen. Zij lijdt ook aan Alzheimer en zij heeft daarnaast voortdurend pijn heeft aan de onderrug, welke uitstraalt naar het linker onderbeen, hetgeen gepaard gaat met een gevoel van verdoving en jeuk. Op dit moment wordt zij behandeld met behulp van medicatie. In haar geval is het nodig dat zij onder medische controle blijft staan en dat zij permanent en voortdurend medicatie blijft gebruiken.
De rechtbank stelt op grond van de hierboven beschreven veelheid en ernst van de medische klachten vast dat eiseres met deze verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is om zelfstandig te functioneren en afhankelijk is van specifieke zorg. Voorts is niet in geschil dat de echtgenote van referent deze zorg aan eiseres bood tot het vertrek van de echtgenote van referent naar Nederland in maart 2021. Gelet op deze in de bezwaarfase nieuwe feiten en omstandigheden had verweerder niet op 15 april 2021 kunnen beslissen op het bezwaarschrift van eiseres, zonder referent dan wel eiseres te horen. Eiseres heeft immers daardoor niet de kans gehad om de op dat moment bestaande situatie toe te lichten en aan te geven wie er sindsdien voor haar zorgt, terwijl verweerder het ontbreken van deze informatie eiseres wel tegenwerpt in het bestreden besluit. Dat de in Libanon wonende dochter van eiseres volgens verweerder geacht kan worden om voor eiseres te zorgen, komt de rechtbank niet reëel voor, gelet op de ernst van de medische klachten van eiseres. Verweerder had dit ook niet zonder nader onderzoek naar de situatie van deze dochter in Libanon mogen tegenwerpen. Ook om hierover meer duidelijkheid te verkrijgen, was een hoorzitting op zijn plaats geweest.
11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:11 van de Awb. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van ad € 1.496,- (duizendvierhonderdzesennegentig euro) te betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 1 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens
3.Zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, 12 juni 2010, no. 47486/06, www.echr.coe.int
4.Zaak Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, 17 april 2012, no. 1598/06, www.echr.coe.int
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State