ECLI:NL:RBDHA:2021:12264
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging familie- en gezinsleven
Eiseres, met Eritrese nationaliteit, en haar minderjarige dochter verzochten om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als familie- of gezinsleden bij referente, hun familielid met verblijfsvergunning in Nederland. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna ook het bezwaar ongegrond werd verklaard. Eiseres stelde dat de belangenafweging in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en het Handvest van de grondrechten van de EU, onder meer vanwege de sterke sociale en culturele binding van referente met Nederland en de onmogelijkheid voor referente om alleen te reizen of in Italië te verblijven.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt, waarbij de binding met Italië, waar eiseres en haar dochter bescherming genieten, zwaarder woog dan de beperkte en onvoldoende onderbouwde binding van referente met Nederland. Ook is niet gebleken van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven in Italië. De rechtbank verwierp het beroep op schending van het gezinsleven en het hoorrecht en concludeerde dat verweerder terecht heeft beslist.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter L.M. Reijnierse en griffier A.M. Zwijnenberg op 22 januari 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.