Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
VMD Koster Verzekeringen B.V.,
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
Deze morgen werden wij onaangenaam verrast met onderstaand verzoek. Echt schandalig dat Chubb deze vragen durft te stellen. Ik neem aan dat dit op een misverstand berust. Anders is er weer een reden om nooit meer zaken te doen met Chubb. Ik vind het beneden alle peil. Graag vandaag je bevestiging dat dit verzoek van tafel gaat, anders gaat er morgen een klacht naar het Verbond van Verzekeraars. Chubb vond deze reactie terecht ongepast en heeft hierover contact opgenomen met [leidinggevende 2] . [leidinggevende 2] heeft [verweerder] mondeling laten weten dat zijn reactie ongepast was en dat dit niet opnieuw mocht voorkomen. [verweerder] trok hier zich niets van aan en schreef Chubb onder meer:
Ik zal het nog 1 keer toelichten: alle verzekeraars denken in oplossingen om de huidige crisis het hoofd te bieden (…) En wat doet Chubb: die zegt de polis pro forma op en stelt allemaal schaamteloze vragen om een slaatje te slaan uit de huidige corona crisis. (…).[leidinggevende 2] heeft Chubb hiervoor opnieuw zijn excuses moeten aanbieden en hij heeft [verweerder] nogmaals mondeling laten weten dat zijn manier van communiceren onacceptabel was. Over de wijze waarop [verweerder] communiceerde (agressief, insinuerend en op escalerende wijze) hebben zich in 2020 ook de acceptanten van GHA zich beklaagd. Zij gaven aan niet langer met [verweerder] te willen samenwerken. Op 14 september 2020 is daarover met [verweerder] gesproken. [verweerder] zat daar ongeïnteresseerd bij en droeg niets bij wat de samenwerking kon verbeteren. Hij beloofde echter beterschap. Het functioneren van [verweerder] in 2020 is op 21 januari 2021 desondanks als goed beoordeeld. Hij had die beoordeling vooral te danken aan de tevredenheid van de klanten. De eerder benoemde aandachtpunten bleven echter staan. Begin 2021 viel [verweerder] opnieuw terug in zijn negatieve gedrag. Hij mopperde en klaagde en projecteerde zijn onvrede voortdurend op anderen. [leidinggevende 2] heeft hem hierop aangesproken en heeft hem gevraagd waarom hij bij VMDK wilde blijven werken als hij bij VMDK alles zo vreselijk vindt. In de maanden februari en maart 2021 zag [leidinggevende 2] dat [verweerder] steeds minder grip kreeg op zijn werk. Hij raffelde de dossiers af en werd steeds negatiever. Hem is de ruimte gegeven om zijn privé situatie (de zorgelijke gezondheid van zijn vader) het hoofd te bieden en zijn collega’s hielpen hem met het werk. Medio maart 2021 meldde de directeur van [betrokkene] Insurance, een belangrijke samenwerkingspartner van VMDK, aan [leidinggevende 2] dat een aantal van zijn medewerkers in het afgelopen jaar diverse malen hadden aangegeven last te hebben van de wijze waarop [verweerder] met hen correspondeerde. [leidinggevende 2] werd er feitelijk voor gewaarschuwd dat [verweerder] het imago van VMDK bij haar zakenpartners schaadde. VMDK heeft dit hoog opgenomen en heeft [verweerder] in verband hiermee op 25 maart 2021 een officiële waarschuwing gegeven. Kort daarna, op 31 maart 2021, heeft [verweerder] zich ziek gemeld. De bedrijfsarts was op 9 april 2021 van oordeel dat de uitval sterk tot volledig arbeid gerelateerd was en adviseerde zo nodig het inschakelen van een mediator. VMDK concludeerde dat de arbeidsverhouding met [verweerder] ernstig verstoord was geraakt en dat zij er niet in slaagde om dit te verbeteren. In een ultieme poging om de arbeidsrelatie met [verweerder] te verbeteren heeft zij besloten om de hulp van een mediator in te roepen. In mei en juni 2021 hebben vervolgens drie mediationbijeenkomsten plaatsgevonden. De mediation is op 22 juni 2021 beëindigd zonder dat dit tot een oplossing had geleid. Daarvoor, op 4 juni 2021, oordeelde de bedrijfsarts dat [verweerder] weer kon werken. Na de beëindiging van de mediation zag VMDK geen perspectief meer voor de voortzetting van de arbeidsrelatie met [verweerder] . Zij heeft [verweerder] vrijgesteld van werk en is, omdat een minnelijke regeling niet mogelijk bleek, de onderhavige procedure begonnen. In het kader daarvan heeft zij een vijftal van haar werknemers gevraagd om een schriftelijke verklaring af te leggen over de samenwerking met [verweerder] (de productie 34 tot en met 38 bij het verzoekschrift). Daaruit blijkt (onder meer) dat zijn collega’s hem ervaren als
een bonk negativiteit en zwartkijkerij, dat niet of moeizaam met hem is samen te werken en dat er veel irritatie is over zijn wijze van communicatie. Ieder draagvlak voor het aanblijven van [verweerder] is komen te ontbreken. Hij heeft zich onmogelijk gemaakt in het bedrijf. Er is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. [verweerder] heeft, gelet op de incidenten die zich hebben voorgedaan met Chubb en [betrokkene] Insurance, ernstig verwijtbaar gehandeld. De arbeidsovereenkomst is te ontbinden, primair op de g-grond, subsidiair op de e-grond en meer subsidiair op de i-grond. Herplaatsing van [verweerder] ligt in de gegeven omstandigheden niet in de reden. Een andere rol voor [verweerder] is bovendien niet beschikbaar.