ECLI:NL:RBDHA:2021:12270
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij intrekking beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag
Verzoekster had een beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank had eerder vastgesteld dat verweerder in verzuim was en een termijn gesteld voor besluitvorming, maar verweerder nam pas na een nieuw beroep een besluit. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Verweerder stelde dat de rechtbank onbevoegd was vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen, die het toepassingsgebied van ingebrekestellingen beperkt. De rechtbank oordeelde echter dat omdat de beslistermijn al vóór de inwerkingtreding van deze wet was verstreken en een nieuwe ingebrekestelling niet van verzoekster kon worden gevergd, de rechtbank wel bevoegd was.
De rechtbank volgde de jurisprudentie dat een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen geen nieuwe ingebrekestelling vereist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €374,-. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Hameete.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt bevoegd en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van €374,-.