De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling en het gezag over een minderjarige geboren in 2008. De moeder verzocht om ontzegging van omgang voor onbepaalde tijd, terwijl de vader meerdere verzoeken indiende voor hulpverlening en een opbouwende zorgregeling.
De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming rapporteerden dat de minderjarige geen contact wenst met haar vader vanwege angst en loyaliteit aan de moeder. De raad adviseerde de zorgregeling voor negen maanden aan te houden om hulpverlening mogelijk te maken, maar er was geen draagvlak bij de minderjarige en moeder.
De rechtbank oordeelde dat het afdwingen van contact contraproductief zou zijn en schadelijker dan het beëindigen van de zorgregeling. Daarom werd de omgangsregeling beëindigd. Het gezamenlijk gezag bleef gehandhaafd omdat er geen onaanvaardbaar risico voor de minderjarige was. De moeder moet de vader eenmaal per drie maanden informeren over de ontwikkeling van de minderjarige, inclusief een recente foto.
De rechtbank benadrukte het belang van rust voor de minderjarige en het potentieel van toekomstige contactherstel, maar zonder dwang. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd. De beschikking werd uitgesproken op 9 november 2021.