Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. P.A. van Leerdam).
Rechtbank Den Haag
Verzoeker is op 14 juli 2021 aangehouden bij een politiecontrole waarbij een THC-gehalte van 3,9 microgram per liter bloed werd vastgesteld, boven de toegestane 3 microgram. Verweerder legde daarop een onderzoek naar drugsgebruik op en schorste het rijbewijs van verzoeker. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de schorsing op te heffen.
Verzoeker stelde dat zijn medische situatie, waaronder kanker en beperkte mobiliteit, en de noodzaak van ziekenhuisbezoeken en sociaal contact, een spoedeisend belang vormden om het rijbewijs te behouden. Verzoeker gaf aan het cannabisgebruik te gebruiken voor ontspanning en slaap, en erkende dat hij niet meer onder invloed zou rijden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het individuele belang van verzoeker. Er was geen aannemelijk gemaakt onomkeerbare situatie, en alternatieven zoals begeleiding of openbaar vervoer waren mogelijk. Het onderzoek door een psychiater was al verricht en een spoedige beslissing op bezwaar werd toegezegd.
De voorzieningenrechter concludeerde dat geen spoedeisend belang aanwezig was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs wegens drugsgebruik wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.