Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind dat in de zomervakantie 2021 naar de vader in het Verenigd Koninkrijk is afgereisd en daarna niet is teruggekeerd naar Nederland. De moeder verzocht de rechtbank om onmiddellijke terugkeer van het kind naar Nederland en om voorlopige voogdij toe te wijzen.
De rechtbank beoordeelde het verzoek op basis van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering, waarbij Nederland en het Verenigd Koninkrijk partijen zijn. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is alleen de rechter van de staat waar het kind zich bevindt bevoegd om kennis te nemen van een verzoek tot teruggeleiding.
Omdat het kind zich in het Verenigd Koninkrijk bevindt, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om het verzoek te behandelen. Hierdoor kon ook het verzoek om voorlopige voogdij niet inhoudelijk worden beoordeeld. Gezien de familierechtelijke aard van de procedure draagt elke partij haar eigen proceskosten, mede omdat de moeder het verzoek niet bij de juiste rechter heeft ingediend.