ECLI:NL:RBDHA:2021:12487
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid etniciteit en risico op ernstige schade
Eiser, van Ethiopische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn lidmaatschap van de etnische groep Qemant en de problemen die hij daardoor in Ethiopië zou hebben ondervonden, waaronder detentie en marteling.
Verweerder (de staatssecretaris) wees de aanvraag af omdat hij de verklaringen over de etniciteit en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig achtte. Verweerder stelde dat eiser in eerdere procedures tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over zijn etniciteit en onvoldoende bewijs had geleverd van persoonlijke vervolging of marteling.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tot de Qemant behoort en dat hij persoonlijk risico loopt bij terugkeer. De rechtbank vond de tegenstrijdigheden in de verklaringen niet plausibel als gevolg van miscommunicatie en vond dat eiser onvoldoende gedetailleerde informatie had gegeven over zijn etnische groep en de conflicten.
Ook het ontbreken van medisch bewijs van littekens en het feit dat eiser zijn land op legale wijze kon verlaten, werkten tegen hem. De rechtbank concludeerde dat verweerder niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd had gehandeld en wees het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid over de etniciteit en onvoldoende aannemelijkheid van persoonlijk risico.