De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het overdragen van negentien semi-automatische vuurwapens op 3 augustus 2021 in Breda. De tenlastelegging was gebaseerd op een politieonderzoek met pseudokopen en tapgesprekken.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 30 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege het ontbreken van direct bewijs en onzekerheid over de identiteit van de persoon in de tapgesprekken. De rechtbank stelde vast dat verdachte waarschijnlijk de persoon was in de telefoongesprekken met een medeverdachte, maar dat de inhoud van deze gesprekken onvoldoende specifiek was om de overdracht van de vuurwapens te bewijzen.
De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte te veroordelen voor medeplegen van wapenhandel. Daarom sprak zij verdachte vrij en gelastte de teruggave van inbeslaggenomen telefoontoestellen. Tevens werd de voorlopige hechtenis opgeheven.