ECLI:NL:RBDHA:2021:12617
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K. M. de Jager
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is bij besluit van 29 maart 2021 afgewezen. Het daarop ingestelde bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 18 mei 2021. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat in een andere zaak met een vergelijkbaar nummer het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter K. M. de Jager en griffier Ż.A. Meinert en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het onderliggende beroep.