Eiser had aanvankelijk een gehandicaptenparkeerplaats (GPP) toegekend gekregen, maar dit besluit werd na bezwaar herroepen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het bezwaar werd gegrond verklaard omdat eiser beschikte over een parkeerplaats op eigen terrein (POET) en geen geldige gehandicaptenparkeerkaart (GPK) zou hebben. De rechtbank stelde vast dat eiser wel degelijk een geldige GPK had, maar oordeelde dat de afwijzing van de aanvraag toch redelijk was vanwege het bezit van een POET.
De rechtbank baseerde zich op de Beleidsregels gehandicaptenparkeren 2012, waarin is bepaald dat een GPP niet wordt toegekend indien de aanvrager beschikt over een POET die voldoet aan bepaalde afmetingen. De parkeerplaats van eiser voldeed aan deze criteria. De stellingen van eiser dat de parkeerplaats te krap was of dat hij niet in staat was de poort te openen, werden zonder objectieve onderbouwing verworpen.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die toepassing van de uitzondering in artikel 8.1 van de Beleidsregels rechtvaardigen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.