ECLI:NL:RBDHA:2021:12734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
AWB 20/9102
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtAfsluitingsregelingAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier op grond van de Afsluitingsregeling, welke door verweerder is afgewezen in een besluit van 22 november 2019. Tevens is een inreisverbod van twee jaar opgelegd in een besluit van 31 december 2019. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard in een besluit van 8 december 2020. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verzoekster heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter beoordeelt dat op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro de uitspraak zonder zitting kan plaatsvinden. Omdat de rechtbank op 1 november 2021 het beroep van verzoekster gegrond heeft verklaard, is er geen lopende beroepsprocedure meer en is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht van €178,- en de proceskosten van verzoekster van €748,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 5 november 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/9102

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 november 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Afsluitingsregeling [1] afgewezen.
In het besluit van 31 december 2019 (primair besluit II) heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod opgelegd van twee jaar.
In het besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij mondelinge uitspraak van 1 november 2021 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster gegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Nu de rechtbank het beroep van verzoekster gegrond heeft verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,-. (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2021.
De voorzieningenrechter is verhinderd te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen.
2.Algemene wet bestuursrecht.