ECLI:NL:RBDHA:2021:12734
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier op grond van de Afsluitingsregeling, welke door verweerder is afgewezen in een besluit van 22 november 2019. Tevens is een inreisverbod van twee jaar opgelegd in een besluit van 31 december 2019. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard in een besluit van 8 december 2020. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verzoekster heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter beoordeelt dat op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro de uitspraak zonder zitting kan plaatsvinden. Omdat de rechtbank op 1 november 2021 het beroep van verzoekster gegrond heeft verklaard, is er geen lopende beroepsprocedure meer en is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht van €178,- en de proceskosten van verzoekster van €748,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 5 november 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.