ECLI:NL:RBDHA:2021:12918
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap na verkrijging Surinaamse nationaliteit
Verzoekster, geboren in Suriname in 1954 en oorspronkelijk Nederlands staatsburger, deed op 18 augustus 1976 een kennisgeving op grond van artikel 5, lid 1, van de Toescheidingsovereenkomst (TOS) waarmee zij de Surinaamse nationaliteit verkreeg en volgens de rechtbank daarmee de Nederlandse nationaliteit verloor.
Verzoekster betwistte dat zij de Surinaamse nationaliteit bewust heeft verkregen en voerde aan dat zij niet ondubbelzinnig voor de Surinaamse nationaliteit had gekozen op het formulier. Zij stelde dat zij de Nederlandse nationaliteit wilde behouden en dat zij nooit een schriftelijke bevestiging van de Surinaamse nationaliteit had ontvangen. Ook wees zij op het feit dat zij meerdere verblijfsvergunningen in Suriname had gekregen en toestemming moest vragen om haar beroep uit te oefenen.
De IND en de rechtbank stelden dat de kennisgeving op grond van artikel 5, lid 1, TOS leidde tot verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en verlies van de Nederlandse nationaliteit. Het Centraal Bureau voor Burgerzaken bevestigde dat verzoekster sinds 19 augustus 1976 als Surinaams geregistreerd staat. Het enkele feit dat verzoekster niet duidelijk een keuze had aangekruist op het formulier doet hier niet aan af.
De rechtbank concludeerde dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft verloren en wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af. Een beroep op rechtsbescherming en rechtszekerheid werd niet gehonoreerd omdat dit niet was onderbouwd.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoekster de Nederlandse nationaliteit verloor door verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.