Eiseres bracht in haar belastingaangiften over 2014 en 2017 betaalde loonbelasting in aftrek als periodieke gift aan het Ministerie van Financiën. De Belastingdienst weigerde deze aftrek bij navorderingsaanslag en aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Eiseres stelde dat betaalde belasting als periodieke gift aftrekbaar moet zijn en dat de jurisprudentie hierover onbegrijpelijk is.
De rechtbank bevestigde dat betaalde loonbelasting geen gift is omdat het een wettelijke verplichting betreft en geen bevoordeling uit vrijgevigheid. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van gerechtshoven en de wetsgeschiedenis die duidelijk maken dat belastingschulden niet onder het begrip 'verplichte bijdragen' vallen voor giftenaftrek. De motivering van de weigering van aftrek door de Belastingdienst werd als deugdelijk beoordeeld.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard. Ook werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.D. van Riel op 26 januari 2021 en partijen kunnen hiertegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.