Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Turkse zelfstandige stukadoor, heeft voor de vierde keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen in een besluit van 5 maart 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 september 2021 was verzoeker niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd. De voorzieningenrechter constateerde dat na het bestreden besluit nog veel aanvullende stukken waren ingediend, waardoor het bezwaar nog niet goed beoordeeld kon worden. De staatssecretaris kon geen toezegging doen dat verzoeker niet zou worden uitgezet, waardoor er sprake was van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter besloot het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen door het bestreden besluit te schorsen tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 748,-. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar.