ECLI:NL:RBDHA:2021:13099
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afgeleid verblijfsrecht als familielid van EU-burger wegens onvoldoende bewijs verblijf Duitsland
Eiseres, van Chinese nationaliteit en gehuwd met een Nederlandse referent, verzocht om afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU Pro. Zij stelde dat zij en haar referent van september 2019 tot januari 2020 samen in Duitsland hadden verbleven en daar een gezinsleven hadden opgebouwd.
Verweerder wees de aanvraag en het bezwaar af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk drie aaneengesloten maanden in Duitsland had verbleven. De rechtbank oordeelde dat administratieve documenten zoals een Duitse verblijfstitel, zorgpas en bankpas slechts inschrijving aantonen, maar geen feitelijk verblijf. Ook ontbraken loonstroken die de uitvoering van een arbeidsovereenkomst in Duitsland bevestigen.
Daarnaast kon uit de huurovereenkomst en bankafschriften niet worden afgeleid dat eiseres en referent daadwerkelijk samenwoonden in Duitsland, mede doordat de referent in Nederland was ingeschreven en de meeste transacties in Nederland plaatsvonden. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het afgeleid verblijfsrecht heeft geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het afgeleid verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Duitsland.