ECLI:NL:RBDHA:2021:13139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om bij zijn referent in Nederland te verblijven op basis van de regeling langeafstandsrelaties. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en omstandigheden van het verblijf en redelijke twijfel over het voornemen om Nederland tijdig te verlaten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser onvoldoende sociale binding heeft met Suriname, mede omdat hij jong, ongehuwd en zonder kinderen is en geen aantoonbare zorgverplichtingen heeft. Ook de economische binding werd onvoldoende geacht, omdat het bewijs van inkomen en arbeidsrelatie ontoereikend was.
Daarnaast werd geoordeeld dat het niet horen van eiser in bezwaar gerechtvaardigd was, aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank concludeerde dat de weigering van het visum terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding.