AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot adoptie van meerderjarige stiefkind
Verzoeker, de stiefvader, verzocht de rechtbank om adoptie van zijn meerderjarige stiefkind, [Y], te erkennen. Hoewel de vader van [Y] instemde met het verzoek, was deze niet verschenen bij de zitting. De feiten tonen aan dat de vader het gezin verliet toen [Y] drie maanden oud was en dat verzoeker sinds het vierde levensjaar van [Y] een vaderfiguur is geweest.
Verzoeker en [Y] stelden dat er sprake is van een nauwe persoonlijke band die als familie- en gezinsleven valt aan te merken onder artikel 8 EVRMPro. Zij voerden aan dat het ontbreken van adoptie een ongeoorloofde inbreuk op dit recht betekent. De rechtbank erkent dat adoptie primair een kinderbeschermingsmaatregel is en dat het minderjarigheidsvereiste uit artikel 1:228 BWPro dwingend is.
De rechtbank overweegt dat het feit dat [Y] meerderjarig is, in beginsel adoptie uitsluit. Hoewel het EVRM bescherming biedt aan het gezinsleven, betekent dit niet dat adoptie een recht is. Alleen in zeer bijzondere gevallen kan een uitzondering worden gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de situatie van verzoeker en [Y] niet uitzonderlijk is, mede omdat samengestelde gezinnen en stiefouderrelaties tegenwoordig veel voorkomen.
De rechtbank concludeert dat het feitelijke gezinsleven met verzoeker niet juridisch vertaald hoeft te worden in adoptie om het gezinsleven te respecteren. Het verzoek wordt daarom afgewezen en partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige stiefkind wordt afgewezen wegens het ontbreken van het minderjarigheidsvereiste en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 20-6812
Zaaknummer: C/09/600109
Datum beschikking: 28 oktober 2021
Adoptie
Beschikking op het op 28 september 2020 ingekomen verzoekschrift van:
[stiefvader] ,
verzoeker of de stiefvader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer (voorheen: mr. B.L. Lok);
en
[Y] ,
[voornaam Y] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.J.W. Govers te Zoetermeer (voorheen: mr. B.L. Lok).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[vader] ,
de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- een instemmingsverklaring van de vader van 12 oktober 2020;
- het F9-formulier van 13 oktober 2020, met bijlagen;
- een instemmingsverklaring van de moeder van [voornaam Y] , [moeder] , van 13 oktober 2020;
- het F9-formulier van 27 september 2021, met bijlage.
Op 30 september 2021 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker en [voornaam Y] , bijgestaan door hun advocaat. Daarnaast is ook opgeroepen en ter zitting aanwezig: [moeder] (hierna: de moeder). De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot adoptie door verzoeker van de meerderjarige [Y] , althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie redelijk acht, een en ander voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens.
De vader voert geen verweer en gaat akkoord met het adoptieverzoek.
Feiten
- De moeder heeft een affectieve relatie gehad met de vader.
Uit deze relatie is [voornaam Y] geboren, op [geboortedatum] 1994 te [woonplaats 2] .
De vader heeft [voornaam Y] erkend.
Verzoeker en de moeder hebben in 1998 een affectieve relatie gekregen.
Verzoeker en de moeder zijn op [datum huwelijk] 2003 met elkaar gehuwd.
Beoordeling
Verzoeker wenst de meerderjarige [voornaam Y] te adopteren. Verzoeker en [voornaam Y] hebben daarbij het volgende naar voren gebracht. [voornaam Y] is geboren uit de affectieve relatie van de moeder en [vader] , de vader van [voornaam Y] . De vader heeft het gezin verlaten toen [voornaam Y] slechts drie maanden oud was. Verzoeker en de moeder hebben vervolgens in 1998 een affectieve relatie gekregen. Verzoeker sloot [voornaam Y] direct in zijn hart, alsof [voornaam Y] zijn eigen zoon was. In september 1999 is verzoeker bij de moeder en [voornaam Y] gaan wonen. Op [datum huwelijk] 2003 zijn verzoeker en de moeder met elkaar gehuwd. Zij voeren sinds het begin van hun samenleving tot heden een gezamenlijke huishouding. Verzoeker heeft sinds [voornaam Y] vier jaar oud was een belangrijke rol in zijn leven gespeeld. Van het begin af aan hadden zij een zeer hechte band en hij zorgde als een vader voor [voornaam Y] . Ook nu [voornaam Y] meerderjarig is kan hij altijd rekenen op de zorg en steun van verzoeker. De band is emotioneel en onvoorwaardelijk. [voornaam Y] ziet verzoeker al vanaf zijn vijfde levensjaar als zijn echte vader. Volgens verzoeker en [voornaam Y] is er daarom sprake van een nauwe persoonlijke betrekking die aangemerkt moet worden als familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 lid 1 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Tijdens de minderjarigheid van [voornaam Y] is het niet tot een adoptieverzoek gekomen. [voornaam Y] is inmiddels meerderjarig, zodat aan een van de vereisten van artikel 1:228 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) niet is voldaan. In dit geval is echter sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de adoptie toch wordt uitgesproken. Het is in het belang [voornaam Y] dat zijn juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de sinds zijn vijfde levensjaar bestaande sociale en emotionele realiteit. Verzoeker en [voornaam Y] verwijzen hierbij naar recente jurisprudentie waarin in gelijksoortige zaken tevens is geoordeeld dat het ontbreken van de mogelijkheid tot adoptie in deze gevallen een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familie leven van verzoeker en [voornaam Y] betreft zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro. Net zoals in de aangehaalde jurisprudentie heeft verzoeker ervoor gekozen in het verleden de juridische band tussen [voornaam Y] en zijn vader niet te willen verbreken door een verzoek tot adoptie in te dienen. Hij wilde hiermee wachten totdat [voornaam Y] zelf de gevolgen daarvan kon overzien. Daarnaast stelt [voornaam Y] dat zijn vader geen rol heeft gespeeld in zijn leven. Hij belde af en toe een keer en sporadisch kwam hij langs. Het laatste noemenswaardige contact vond plaats toen [voornaam Y] twaalf jaar oud was. De geslachtsnaam van [voornaam Y] is bij Koninklijk Besluit van [datum KB] 2002 veranderd in [geslachtsnaam] . Pas toen [voornaam Y] de naam van zijn vader op zijn trouwakte zag staan, ging bij hem het belletje rinkelen dat de juridische situatie niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Dat was het moment waarop [voornaam Y] besefte dat de hechte band die hij met zijn stiefvader heeft nergens is vastgelegd en dat de naam van zijn stiefvader nergens op officiële documenten is terug te vinden. Dit deed en doet [voornaam Y] veel verdriet. [voornaam Y] wil dat de stiefvader officieel zijn vader wordt. Daarnaast is het onderhavige verzoek een teken van respect dat [voornaam Y] aan zijn stiefvader wil geven. De adoptie zal ook verder bijdragen aan de identiteitsontwikkeling van [voornaam Y] .
Ter zitting hebben verzoeker, [voornaam Y] en de moeder hun standpunten uitgebreid toegelicht. [voornaam Y] heeft verklaard dat verzoeker zijn vaderfiguur is. Hij heeft altijd voor hem klaargestaan zoals een vader behoort te doen. Verzoeker heeft verklaard dat hij [voornaam Y] ziet als zijn volwaardige zoon. Zowel voor [voornaam Y] als verzoeker en de moeder is het van emotioneel groot belang dat er alsnog een familierechtelijke betrekking tussen [voornaam Y] en verzoeker tot stand wordt gebracht, zodat de bestaande band juridisch wordt bevestigd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Een verzoek tot adoptie moet voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Uit deze voorwaarden volgt dat adoptie primair een kinderbeschermingsmaatregel is. [voornaam Y] was bij de indiening van het adoptieverzoek zesentwintig jaar oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW gestelde voorwaarde dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is. Die bepaling is van dwingend recht, zodat op grond van het toe te passen Nederlandse recht (stiefouder)adoptie in dit geval in beginsel is uitgesloten.
Door verzoeker en [voornaam Y] is gesteld dat het feit dat [voornaam Y] meerderjarig is niet in de weg kan staan aan de adoptie. Zij verwijzen in dit kader naar het recht op family life, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRMPro.
De rechtbank stelt voorop dat het recht op adoptie als zodanig niet behoort tot één van het door het EVRM beschermde rechten maar dat een weigering een adoptie toe te staan onder bijzondere omstandigheden wel een inbreuk kan opleveren op de door artikel 8 EVRMPro gegarandeerde rechten. In dat geval moet sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van voormelde dwingendrechtelijke (nationale) bepaling rechtvaardigen. Dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband is op zichzelf dus niet in strijd met artikel 8 EVRMPro. Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.
Uit de door verzoeker genoemde jurisprudentie volgt dat er soms sprake kan zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden die terzijdestelling van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW kunnen rechtvaardigen. Het moet dan gaan om (zeer) uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van een adoptie wegens de enkele meerderjarigheid bij de indiening van het adoptieverzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven met zich zou brengen.
De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van verzoeker en [voornaam Y] geen sprake is van zo’n zeer uitzonderlijke situatie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat er een feitelijk gezinsverband is tussen verzoeker en [voornaam Y] en dat deze al lange tijd bestaat. Het is echter in deze tijd – waarin stiefouders en samengestelde gezinnen steeds vaker voorkomen – niet uitzonderlijk dat iemand een betere band heeft met zijn of haar ‘sociale’ ouder dan met zijn of haar juridische of biologische ouder. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gezinsverband op zichzelf niet een omstandigheid is die kan leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. Ook het teken van respect dat [voornaam Y] aan zijn stiefvader wil geven en de omstandigheid dat de adoptie verder zal bijdragen aan de identiteitsontwikkeling van [voornaam Y] , wat daar verder ook van zij, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven. [voornaam Y] had en heeft immers gezinsleven met de stiefvader. Dat dit nu niet juridisch wordt vertaald in een adoptie levert geen schending op van dat gezinsleven.
De rechtbank zal het verzoek tot adoptie van [voornaam Y] door verzoeker afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.C. Sluymer en S. van der Harg, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 oktober 2021.