Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 3 augustus 2020, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
Rechtbank Den Haag
Eiser vordert betaling van zijn legitieme portie uit de nalatenschap van zijn grootmoeder, die bij testament haar twee dochters onterfde en haar zoon tot enige erfgenaam benoemde. Eiser is in de plaats van zijn overleden moeder gerechtigd tot een deel van de nalatenschap. Een eerder arrest van het hof Den Haag bepaalde de legitimaire massa op €361.694,17, waarover de legitieme portie wordt berekend.
Eiser stelt echter dat de legitieme portie hoger moet zijn, gebaseerd op een aanslag erfbelasting die rekening houdt met vermogen dat erflaatster in een stichting heeft ingebracht. De rechtbank oordeelt dat eiser niet gebonden is aan het eerdere arrest, maar onvoldoende feiten aanvoert om het vermogen van de stichting bij de legitimaire massa te betrekken. De rechtbank volgt daarom het eerdere arrest en stelt de legitieme portie vast op €30.141,18.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van dit bedrag aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 september 2019. Proceskosten worden niet aan de wederpartij opgelegd vanwege de familieband tussen partijen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €30.141,18 aan eiser met wettelijke rente vanaf 5 september 2019.