ECLI:NL:RBDHA:2021:13376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
NL21.8523
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep tegen afwijzing asielverzoek Eritrea wegens risico schending EVRM

Verzoeker uit Eritrea had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 2 juni 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 6 oktober 2021 samen met een gerelateerde zaak (NL21.8522). Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, familieleden en een tolk aanwezig. De rechtbank oordeelde dat het beroep in de bodemzaak gegrond is verklaard, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

De beoordeling betrof onder meer de geloofwaardigheid van het christelijk geloof van verzoeker, die als ongeloofwaardig werd beoordeeld, maar het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro door de verlengde dienstplicht in Eritrea werd wel erkend. De rechtbank veroordeelde de verweerder tot betaling van proceskosten aan verzoeker ter hoogte van €748. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt gegrond verklaard vanwege risico op schending van artikel 3 EVRM door verlengde dienstplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.8523

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL21.8522, op 6 oktober 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [naam moeder], de moeder van verzoeker, [broer], de broer van verzoeker, en tolk A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL21.8522, heeft de rechtbank het beroep in de bodemzaak waarover dit verzoek om voorlopige voorziening gaat gegrond verklaard.
2. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af.
3. Vanwege de gegrondverklaring van het beroep, zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van verzoeker. Het bedrag van deze proceskosten wordt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 748 (1 punt voor het verzoekschrift, waarde per punt € 748, gemiddeld gewicht).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van tot een bedrag van € 748,-
(zevenhonderdachtenveertig euro) te betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.