ECLI:NL:RBDHA:2021:13376
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen afwijzing asielverzoek Eritrea wegens risico schending EVRM
Verzoeker uit Eritrea had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 2 juni 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 6 oktober 2021 samen met een gerelateerde zaak (NL21.8522). Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, familieleden en een tolk aanwezig. De rechtbank oordeelde dat het beroep in de bodemzaak gegrond is verklaard, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
De beoordeling betrof onder meer de geloofwaardigheid van het christelijk geloof van verzoeker, die als ongeloofwaardig werd beoordeeld, maar het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro door de verlengde dienstplicht in Eritrea werd wel erkend. De rechtbank veroordeelde de verweerder tot betaling van proceskosten aan verzoeker ter hoogte van €748. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt gegrond verklaard vanwege risico op schending van artikel 3 EVRM door verlengde dienstplicht.