ECLI:NL:RBDHA:2021:13402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens risico verlengde dienstplicht in Eritrea
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 6 oktober 2021, waarbij verzoeker werd bijgestaan door zijn gemachtigde en familieleden aanwezig waren.
De rechtbank heeft bij uitspraak in de bodemzaak het beroep gegrond verklaard, hetgeen betekent dat het bestreden besluit onterecht was. Gezien deze gegrondverklaring wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, aangezien de bodemprocedure reeds in het voordeel van verzoeker is beslist.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de staatssecretaris in de proceskosten ten gunste van verzoeker, vastgesteld op € 748,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W.M.P. van Alphen en griffier J.A.B. Koens en is openbaar gemaakt op 6 december 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt gegrond verklaard en de proceskosten worden aan verzoeker toegekend.