ECLI:NL:RBDHA:2021:13444
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden ongegrond werd verklaard.
Tegelijkertijd heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, mede omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep zelf (zaaknummer AWB 21/3317). Daarom is het verzoek afgewezen en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C. van Boven-Hartogh en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.