ECLI:NL:RBDHA:2021:13448
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verwijzing naar Duitsland
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublin-verordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een soortgelijke zaak op 24 november 2021, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Omdat op dezelfde datum uitspraak is gedaan op het beroep, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter I. Bouter en griffier H.L. de Vries, en is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep heeft beslist.