Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam verzoekster], verzoekster,
[naam kind],
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ongegrond werd verklaard. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening die schorsende werking zou verlenen aan het beroep.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij een gelijktijdige uitspraak in de hoofdzaak is het beroep ongegrond verklaard.
Gezien de ongegrondverklaring van het beroep wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep ongegrond is verklaard.