ECLI:NL:RBDHA:2021:13585
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Gambia wegens kennelijke ongegrondheid ondanks zorgvuldigheidsgebrek
Eiser, een Gambiaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, en verweerder werd vertegenwoordigd.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat voorafgaand aan het nader gehoor geen medisch onderzoek was uitgevoerd. De rechtbank constateerde dit zorgvuldigheidsgebrek, maar passeerde dit op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat uit het gehoor bleek dat eiser zich goed voelde en niet benadeeld was.
Inhoudelijk stelde eiser dat desertie in Gambia strafbaar is en dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro. Verweerder stelde dat ondanks de strafbaarheid desertie niet automatisch tot strafoplegging leidt, en dat er coulant wordt omgegaan met teruggekeerden. De rechtbank vond dat eiser geen concrete feiten had aangevoerd die een reëel risico op ernstige schade aannemelijk maken.
De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten wegens het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.