Eiser, reservist bij het Commando Landstrijdkrachten, diende op 10 november 2020 een ontslagaanvraag in na een gesprek op 5 november waarin hij zich geïntimideerd voelde. Verweerder verleende eervol ontslag, waarna eiser op 14 december 2020 een verzoek tot heraanstelling indiende, dat werd afgewezen. Eiser maakte bezwaar tegen dit bestreden besluit en stelde dat hij onder druk ontslag had genomen en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit terecht als beslissing op bezwaar moet worden gezien en dat het besluit zonder toereikend mandaat is genomen, maar dit verzuim wordt gepasseerd. De rechtbank stelt vast dat eiser een ondubbelzinnige wilsuiting heeft gedaan met zijn ontslagaanvraag en dat hij niet onder zodanige druk stond dat hij geen vrije wil had. Wel is de vergewisplicht van verweerder niet nagekomen, omdat er geen aanvullend gesprek heeft plaatsgevonden om te verifiëren of eiser zijn ontslagaanvraag afgewogen had genomen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens het niet naleven van de vergewisplicht, maar laat de rechtsgevolgen van het primaire ontslagbesluit in stand, omdat aannemelijk is dat een nader gesprek niet tot intrekking van de ontslagaanvraag had geleid. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet het betaalde griffierecht vergoeden.