ECLI:NL:RBDHA:2021:13720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
NL21.18155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 8 OpvangrichtlijnArt. 94 VwArt. 106 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure en weigering schadevergoeding

Eiseres werd op 18 november 2021 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde zij beroep in, dat tevens werd gezien als een verzoek om schadevergoeding. De maatregel werd op 22 november 2021 opgeheven. De rechtbank behandelde de zaak schriftelijk.

Eiseres stelde dat een lichtere maatregel passend was omdat zij direct bij aankomst een asielaanvraag had ingediend en de bewaring disproportioneel was. Verweerder stelde dat het grensbewakingsbelang zwaarder woog en dat de vrijheidsontnemende maatregel noodzakelijk was om toegang tot Nederland te reguleren. Eiseres bracht geen medische of bijzondere omstandigheden naar voren die detentie onevenredig zouden maken.

De rechtbank oordeelde dat artikel 6, derde lid, Vw weliswaar ruimte laat voor lichtere maatregelen, maar niet verplicht tot toepassing daarvan. In grensprocedures is vrijheidsontneming in beginsel noodzakelijk om toegang te reguleren. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van bijzondere persoonlijke belangen van eiseres was de maatregel niet disproportioneel of onrechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18155

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2021 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de vrijheidsontnemende maatregel op 22 november 2021 opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 november 2021 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 25 november 2021 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op
26 november 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder de lichte variant van artikel 6, derde lid, van de Vw had moeten opleggen. Zij heeft namelijk direct bij aankomst in Nederland, goed gedocumenteerd, een asielaanvraag ingediend. De maatregel van bewaring was daarom disproportioneel.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het grensbewakingsbelang in het geval van eiseres zwaarder mocht wegen dan het belang van eiseres bij toepassing van een lichter middel. Eiseres heeft tijdens het gehoor geen bezwaren tegen de bewaring naar voren gebracht en ook verklaard geen medische problemen te hebben. Na het aanmeldgehoor heeft verweerder de maatregel opgeheven omdat die zich niet meer leende voor de grensprocedure.
Wat is het oordeel van de rechter?
5. De rechtbank overweegt dat hoewel artikel 6, derde lid, van de Vw de mogelijkheid open laat voor het toepassen van een ander middel dan vrijheidsontneming, hieruit niet de verplichting voor verweerder voortvloeit om dat ook te doen. Gevallen waarin het nemen van een besluit over toegang is uitgesteld totdat op de asielaanvraag wordt beslist, worden aangemerkt als gevallen waarin het nodig blijkt dat de asielzoeker in bewaring wordt gehouden en een minder dwingende maatregel niet effectief kan worden toegepast. Het grensbewakingsbelang vergt in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Verweerder heeft terecht betoogd dat in individuele gevallen, als gevolg van bijzondere, individuele omstandigheden, vrijheidsontneming onevenredig bezwarend kan zijn. In die gevallen wordt afgezien van oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw en wordt toegang tot Nederland verleend. Dat verweerder niet aan artikel 8, tweede lid, van de Opvangrichtlijn voldoet, volgt de rechtbank dan ook niet.
6. Uit het bestreden besluit en het proces-verbaal van de asielaanvraag blijkt dat verweerder eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te brengen wat van belang kon zijn. Nu eiseres heeft verklaard dat er geen (medische) bijzondere feiten en omstandigheden zijn, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in het geval van eiseres niet onevenredig bezwarend is. Ook in beroep heeft eiseres niet nader onderbouwd dat sprake zou zijn van bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot haar persoonlijke belangen.
6.1.
In de aangevoerde omstandigheden – dat eiseres in Turkije vreest voor haar leven omdat zij de Gülen-beweging steunt – heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een minder dwingende maatregel op te leggen of de detentie als onevenredig bezwarend aan te merken. Die omstandigheden zien immers op de asielmotieven van eiseres, maar daaruit kan niet worden opgemaakt waarom de detentie voor haar onevenredig bezwarend zou zijn.
6.2.
Gelet op het voorgaande, heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel heeft afgezien. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een minder dwingende maatregel in dit geval niet kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang feitelijk prijs te geven.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr.F.E.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.