ECLI:NL:RBDHA:2021:13751
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met een andere zaak (NL20.19966) tijdens de zitting op 15 december 2020. Omdat de rechtbank op diezelfde dag uitspraak deed in de hoofdzaak, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.