ECLI:NL:RBDHA:2021:13852

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2021
Publicatiedatum
15 december 2021
Zaaknummer
20/2894
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing op bezwaar kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende motivering

Eiseres ontving voor 2018 een voorschot kinderopvangtoeslag dat meerdere keren werd herzien. De definitieve vaststelling leidde tot een terugvordering van €544, inclusief rente, omdat zij meer voorschotten had ontvangen dan het definitieve bedrag. Eiseres betwistte de hoogte van de ontvangen voorschotten en stelde dat zij minder had ontvangen dan de Belastingdienst claimde.

De Belastingdienst maakte in beroep inzichtelijk dat een deel van de toegekende toeslag was gebruikt voor aflossing van openstaande vorderingen uit eerdere jaren, waardoor het daadwerkelijk aan eiseres uitbetaalde bedrag lager was. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst voldoende had onderbouwd hoe de verrekeningen waren ontstaan en dat er geen reden was om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

De rechtbank stelde echter vast dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende was gemotiveerd, omdat de verrekeningen niet duidelijk waren gemaakt bij het bezwaar. Hierdoor was eiseres niet adequaat gehoord, wat een schending van het hoor en wederhoor-beginsel betekende. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven gehandhaafd.

Ten slotte wees de rechtbank erop dat de hoogte van de vastgestelde tegemoetkoming niet onderwerp van deze procedure was en dat eiseres een verzoek tot herziening kan indienen indien zij meent dat haar aanspraak onjuist is vastgesteld. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/2894

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van29 september 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

De beslissing van verweerder van 9 maart 2020 op het bezwaar van eiseres tegen de hierna te noemen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2018.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[B] en [C] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de rechtbank van nadere informatie te voorzien.
Verweerder heeft op 13 april 2021 een reactie ingediend en op 11 mei 2021 heeft de rechtbank de reactie van eiseres hierop ontvangen.
Verweerder heeft vervolgens met dagtekening 25 juni 2021 gereageerd.
De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2021, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] . Namens verweerder zijn verschenen
[D] en mr. [E] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond:
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Met dagtekening 28 december 2017 is aan eiseres voor het berekeningsjaar 2018 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 8.915. Hierop wordt het voorschot een aantal keer herzien, laatstelijk met dagtekening 21 november 2018 tot € 9.091.
2. Met dagtekening 8 november 2019 is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018 definitief vastgesteld op € 8.554. Omdat eiseres in totaal € 9.091 aan voorschotten heeft ontvangen, dient zij € 544 (inclusief € 7 rente) terug te betalen.
3. Bij beslissing op bezwaar zijn de bezwaren van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
4. In geschil is of verweerder terecht een bedrag van € 544 van eiseres heeft teruggevorderd.
5. Eiseres betwist dat zij een bedrag van € 9.091 aan voorschotten heeft ontvangen. Eiseres stelt in werkelijkheid een bedrag van € 8.549 op haar bankrekening te hebben ontvangen, zodat verweerder ten onrechte een bedrag van € 544 van haar heeft teruggevorderd.
6. Verweerder stelt dat van de toegekende kinderopvangtoeslag van € 9.090 een bedrag van € 541 is aangewend voor aflossing van openstaande vorderingen kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2015, 2016 en 2017. Aan eiseres is daarom daadwerkelijk een bedrag uitbetaald van € 8.549.
7. Ingevolge artikel 30 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is verweerder bevoegd tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een aan hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en ander ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht het berekeningsjaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem in beroep overgelegde stukken voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de terugvorderingen kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2015, 2016 en 2017 zijn ontstaan en bestaat er geen aanleiding om aan de juistheid van de door verweerder toegepaste verrekeningen te twijfelen. Nu per saldo dus een bedrag van € 9.090 aan eiseres ten goede is gekomen, heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres het bedrag van € 544 dient terug te betalen.
8. Nu verweerder eerst in beroep inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom er is verrekend met openstaande vorderingen kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2015, 2016 en 2017, brengt dit met zich mee dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Gelet hierop heeft verweerder zich dus ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar als kennelijk ongegrond afgedaan kon worden, zodat eiseres ten onrechte niet is gehoord. In zoverre is er aanleiding het beroep gegrond te verklaren en dient de beslissing op bezwaar te worden vernietigd. De rechtbank zal echter, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.
9. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Ook ter zitting heeft eiseres weer naar voren gebracht dat de uiteenzetting van verweerder inzake de verrekeningen niet klopt, omdat zij een aantal bedragen nooit op haar rekening heeft ontvangen. Dat geeft eiseres aanleiding om te stellen dat verweerder uitgaat van een onjuist bedrag wat aan haar is uitbetaald. Op zichzelf klopt het dat bepaalde bedragen waar eiseres recht op had niet feitelijk op haar rekening zijn uitbetaald, maar die bedragen zijn haar ten goede gekomen door middel van verrekeningen. Een deel van de op dat moment openstaande schuld van eiseres is immers daarmee teniet gegaan.
Ter zitting is voorts nog stilgestaan bij de door eiseres opgeworpen vraag of de vastgestelde tegemoetkoming kinderopvangtoeslag over het jaar 2018 wel juist zou zijn. Allereerst merkt de rechtbank daarover op dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de vaststelling van de hoogte van het terug te betalen bedrag. In zoverre kan eiseres niet met succes nu alsnog aan de orde stellen dat haar aanspraak over 2018 niet juist zou zijn vastgesteld. Ter zitting is door verweerder erop gewezen dat als eiseres werkelijk van mening zou zijn dat haar aanspraak over 2018 ten nadele van haar zou zijn vastgesteld, zij een verzoek om herziening kan indienen. In dat verzoek moet zij dan aangeven dat en waarom zij vindt dat zij over het jaar 2018 aanspraak heeft op een hoger bedrag aan kinderopvangtoeslag dan tot nu toe is vastgesteld.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 september 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,
2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)