ECLI:NL:RBDHA:2021:13855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
15 december 2021
Zaaknummer
20/5628
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de Ziektewetuitkering en procesbelang in bestuursrechtelijke context

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 11 oktober 2021 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) over de beëindiging van de Ziektewet (ZW) uitkering. De eiser, die werkzaam was als medewerker expeditie bij Sligro Food Group B.V., had zich per 8 maart 2019 ziekgemeld en ontving een ZW-uitkering. Op 4 maart 2020 heeft het Uwv de uitkering beëindigd met ingang van 7 april 2020, wat door de eiser werd bestreden. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 14 september 2021 behandeld, waarbij de eiser en de gemachtigden van de partijen aanwezig waren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de beëindiging van de ZW-uitkering door het Uwv op goede gronden is gebeurd. De rechtbank oordeelde dat de medische onderzoeken die aan de beëindiging ten grondslag lagen zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat de rapporten van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden vertoonden. De rechtbank heeft de argumenten van de eiser, die stelde dat hij meer beperkt was dan vastgesteld, niet overtuigend geacht. De rechtbank concludeerde dat de eiser in staat was om meer dan 65% van zijn eerdere loon te verdienen, wat de beëindiging van de uitkering rechtvaardigde.

De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen. De eiser heeft de mogelijkheid om binnen zes weken na verzending van de uitspraak beroep aan te tekenen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/5628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Sligro Food Group B.V., te Veghel

(gemachtigde: mr. C. van der Steen).

Procesverloop

In het besluit van 4 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 7 april 2020 beëindigd.
In het besluit van 19 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Derde-partij heeft een zienswijze ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2021 door middel van Skype op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken aan de derde-partij die medische gegevens bevatten. Om die reden kan de rechtbank in deze uitspraak die medische stukken niet inhoudelijk weergeven. De rechtbank zal in deze uitspraak de medische klachten van eiser daarom slechts in algemene zin benoemen.
2.1.
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.2.
Eiser was laatstelijk werkzaam als medewerker expeditie bij derde-partij voor ongeveer 27 uur per week. Per 8 maart 2019 heeft eiser zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Aan eiser is per diezelfde datum een ZW-uitkering toegekend.
2.3.
In het kader van de zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling heeft verweerder begin 2020 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek bij eiser verricht. Deze onderzoeken hebben geleid tot het primaire besluit.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Dit berust op het standpunt dat eiser meer dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Aan het bestreden besluit liggen de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b ten grondslag.
4. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert – samengevat – aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is vastgesteld en dat hij nog steeds veel last van zijn rug heeft.
5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
6. Verweerder heeft het procesbelang van eiser betwist nu eiser zich per 7 april 2020, de datum waarop de ZW-uitkering is beëindigd, opnieuw heeft ziekgemeld. Nadat eiser de eerste dertien weken een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, is aan eiser per 7 juli 2020 opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Eiser heeft gesteld dat zijn belang is gelegen in het dalen van zijn inkomen nadat de ZW-uitkering is beëindigd. Eiser heeft dit echter niet met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft verweerder wel erkend dat er procesbelang is gelegen in het opsouperen van 13 weken WW-rechten, die hij zou hebben behouden in geval van gegrondverklaring van dit beroep. De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder en stelt daarom vast dat het eiser procesbelang heeft.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Het is aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
7.2.
De primaire verzekeringsarts heeft eiser op 13 januari 2020 op het spreekuur gezien. Zij heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht en dossierstudie verricht. Van haar bevindingen heeft de primaire verzekeringsarts op 28 januari 2020 een rapport opgesteld. De primaire verzekeringsarts concludeert dat de klachten van eiser aannemelijk zijn. Eiser is ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid. Wel zijn er benutbare mogelijkheden. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 januari 2020.
7.3.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b op 10 juli 2020 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht. Hij ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Er zijn benutbare mogelijkheden per de datum in geding van 7 april 2020. De primaire verzekeringsarts heeft beperkingen vastgesteld die passend zijn bij de diagnose van eiser. Ook zijn er voldoende preventieve beperkingen vastgesteld. Er is geen aanleiding voor een urenbeperking.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Beide verzekeringsartsen hebben dossieronderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft eiser ook lichamelijk en psychisch onderzocht. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat alle klachten van eiser in de beoordeling zijn betrokken. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien.
8.2.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het beroep geen aanleiding geeft om te twijfelen aan het medisch oordeel. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen volgt dat er meerdere beperkingen zijn aangenomen ten aanzien de lichamelijke klachten van eiser. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat hij ook psychische klachten heeft – wat er ook van zij –, is niet gebleken dat deze al speelden op de datum in geding. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die reden geeft voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen kan niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank onderschrijft om deze reden de medische grondslag van het bestreden besluit.
9. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiser voor de door de arbeidsdeskundige b&b geduide functies sorteerder, controleer (SBC-code 111340), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053). De arbeidsdeskundige b&b heeft vervolgens berekend dat eiser met de geduide functies meer dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd.
10. Het voorgaande betekent dat verweerder de ZW-uitkering van eiser terecht en op goede gronden met ingang van 7 april 2020 heeft beëindigd.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.