ECLI:NL:RBDHA:2021:13879
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op afgeleid verblijfsrecht via zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen paspoort of geldige identiteitskaart kon overleggen en zijn identiteit en nationaliteit niet op andere wijze ondubbelzinnig had aangetoond.
Eiser stelde dat het voor hem onmogelijk was om bewijs van zijn identiteit te verkrijgen vanwege zijn langdurig verblijf buiten Algerije en gebrek aan contacten aldaar. Ook voerde hij aan dat het vereiste in strijd was met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, waarbij de belangen van zijn minderjarige dochter zwaar wegen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht eisen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit aantoonde, verwijzend naar het arrest Oulane en het arrest Chavez-Vilchez. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij in bewijsnood verkeerde en had geen stukken overgelegd waaruit pogingen tot het verkrijgen van identificerende documenten blijken.
De rechtbank vond geen strijd met het evenredigheidsbeginsel en stelde dat zonder vaststelling van de identiteit en nationaliteit niet kon worden vastgesteld dat de dochter gedwongen zou worden de Unie te verlaten. De overige aangevoerde gronden werden niet inhoudelijk behandeld omdat het primaire bezwaar gegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.