De vader en moeder zijn gescheiden en gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind. Na het uitbreken van de coronacrisis is de minderjarige meer bij de moeder gaan verblijven en staat zij op haar adres ingeschreven. De vader vordert in kort geding nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, waaronder herinschrijving van de minderjarige op zijn adres.
De moeder voert verweer en stelt een alternatieve zorgregeling voor. De rechtbank neemt het spoedeisend belang van de vader aan omdat het contact tussen vader en kind al zes weken is onderbroken en de bodemprocedure door een wrakingsverzoek vertraging oploopt.
Partijen komen ter zitting overeen dat de minderjarige vanaf 3 september 2021 om de twee weken het weekend bij de vader zal verblijven. De rechtbank wijst de vordering tot herinschrijving op het adres van de vader af, omdat de feitelijke situatie sinds maart 2020 is veranderd en het financiële argument van de vader onvoldoende zwaarwegend is.
De rechtbank bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.