Partijen, de vader en de moeder, zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2016. Na het beëindigen van hun relatie maakten zij mondeling afspraken over omgang en kinderalimentatie. De moeder oefent het gezag uit en heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van omgang en alimentatie.
De vader vordert nakoming van de omgangsregeling en subsidiar een voorlopige omgangsregeling, terwijl de moeder een andere voorlopige omgangsregeling vordert. Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over een voorlopige omgangsregeling waarbij de minderjarige om de week bij de vader verblijft volgens een vastgesteld schema.
De voorzieningenrechter verwijst de ouders naar een traject ouderschapsbemiddeling om hun onderlinge communicatie en vertrouwen te verbeteren, met het oog op het belang van de minderjarige. De hulpverleningsinstantie moet rapporteren over het verloop van de bemiddeling en indien nodig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen. De kosten worden door partijen ieder zelf gedragen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.