De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verdeling van de zorg voor hun minderjarige kind, geboren in 2018. Partijen oefenen gezamenlijk gezag uit, maar verschillen van mening over de zorg op donderdagen en vrijdagen. De moeder vordert onder meer een zorgregeling waarbij de vader het kind om het weekend bij zich mag hebben en een dwangsom bij niet-nakoming.
De voorzieningenrechter stelt een voorlopige zorgregeling vast die uitgaat van een zo gelijk mogelijke verdeling van zorg en overnachtingen. Hierbij verblijft het kind in de ene week overdag en 's nachts bij de moeder en in de andere week bij de vader, met een overgangsregeling voor de vrijdag totdat het kind naar school gaat. De rechter ziet geen aanleiding voor een dwangsom omdat niet is gebleken dat de ouders de regeling niet zullen nakomen.
De vordering tot machtiging voor een nieuwe spaarrekening wordt door de moeder ingetrokken. Ten aanzien van de proceskosten beslist de voorzieningenrechter dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis wordt tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.