ECLI:NL:RBDHA:2021:14068
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden ingediend, welke op 16 oktober 2020 werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna de staatssecretaris op 10 december 2020 het bezwaar ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.
Tegelijkertijd verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Inmiddels had de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer was.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 25 november 2021 en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.