ECLI:NL:RBDHA:2021:14105
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunningen kennismigrant en gezinsleden
Eisers, een kennismigrant en zijn gezinsleden met de Russische nationaliteit, hadden verblijfsvergunningen die op 20 december 2018 werden verleend. De vergunning van de kennismigrant was gebaseerd op een dienstverband bij een referent. Op 20 augustus 2019 heeft de staatssecretaris deze vergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het niet voldoen aan de voorwaarden.
De intrekking werd gebaseerd op het feit dat het salaris van eiser niet door de referent was uitbetaald, maar door een derde partij, en dat de vereiste premies en belastingen nog niet waren afgedragen. Hierdoor voldeed eiser niet langer aan de voorwaarden voor het verblijf als kennismigrant, en de verblijfsvergunningen van zijn gezinsleden werden ook ingetrokken omdat deze afhankelijk waren van zijn verblijfsrecht.
Eisers voerden aan dat de loonheffing was aangegeven door een boekhouder en dat overleg met de Belastingdienst plaatsvond, maar konden dit niet onderbouwen met stukken. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan artikel 3.73 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat vereist dat premies en belastingen zijn afgedragen voor zelfstandige middelen van bestaan.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard.