ECLI:NL:RBDHA:2021:14113
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden. De staatssecretaris had het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. Deze heeft het verzoek zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat het beroep in een andere procedure reeds is afgedaan.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens veroordeelt hij de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 748, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van € 748.