Eisers, een gezin van Libische nationaliteit met kinderen die in Nederland zijn geboren, hebben een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden onder de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege een contra-indicatie dat de vreemdeling de EU aantoonbaar heeft verlaten, omdat het gezin in 2013 voor tien dagen naar Libië was gereisd.
De rechtbank oordeelt dat de intrekkingsprocedure van de asielvergunning van de vader gelijkgesteld moet worden aan een asielprocedure die volgt op een nieuwe aanvraag. Hierdoor kan de contra-indicatie niet zonder meer worden toegepast, temeer omdat eisers gedurende vijf jaar in Nederland verbleven en een periode van onzekerheid over hun verblijfsstatus hebben doorgemaakt.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het beroep zelf reeds is beslist. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eisers.