ECLI:NL:RBDHA:2021:14446
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie en economische binding
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, verzocht om een visum kort verblijf voor familiebezoek aan zijn vermeende neef in Nederland. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser de familierelatie onvoldoende aantoonde en onvoldoende economische binding met Marokko had, waardoor terugkeer niet gewaarborgd was.
Eiser betwistte dit en stelde dat de overgelegde attesten voldoende waren en dat hij als imam een maatschappelijke en economische binding met Marokko heeft. De rechtbank oordeelde dat de ambtelijke verklaring onvoldoende objectief bewijs leverde en dat verweerder terecht om brondocumenten vroeg. Ook de economische binding werd onvoldoende geacht omdat geen objectief bewijs van substantieel inkomen werd geleverd en recente stortingen niet konden worden toegeschreven aan het imamschap.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de visumaanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van familierelatie en onvoldoende economische binding.