ECLI:NL:RBDHA:2021:14448
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als pleegkind wegens ontbreken onaanvaardbare toekomst in Marokko
Eiser, een minderjarig kind uit Marokko, vroeg om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als pleegkind bij zijn tante (referente). De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat eiser in Marokko geen aanvaardbare toekomst had. De moeder van eiser zou psychische problemen hebben en agressief gedrag vertonen, maar dit was onvoldoende onderbouwd. De vader kon vanwege werk niet voor hem zorgen, maar er was geen bewijs dat andere familieleden dit niet konden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of sprake is van een onaanvaardbare toekomst en dat deze terughoudend wordt getoetst. De verklaringen van ouders en psychiaters boden onvoldoende grond om te concluderen dat eiser niet adequaat verzorgd kan worden in Marokko. Ook was niet aangetoond dat de tante het gezag had of aan het middelenvereiste voldeed.
Eiser voerde aan dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro, omdat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen en er sprake was van familie- of gezinsleven. De rechtbank stelde dat tussen tante en neef geen zodanige hechte persoonlijke banden bestonden om onder artikel 8 EVRM Pro te vallen. De belangen van het kind waren wel degelijk meegewogen. Ook was het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en mocht verweerder afzien van het horen van de tante in bezwaar.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat de beoordeling van een machtiging tot verblijf als pleegkind terughoudend is en dat het ontbreken van een onaanvaardbare toekomst in het land van herkomst een zwaarwegende reden is voor afwijzing.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als pleegkind wordt ongegrond verklaard.