Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Naar aanleiding van het bezwaar, waarin eiseres heeft gesteld dat zij op 13 februari 2019 ziek uit dienst is gegaan en dat zij in elk geval vanaf die datum arbeidsongeschikt was, heeft verweerder zijn standpunt heroverwogen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) ten grondslag gelegd. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in de rapportage van 27 augustus 2020. Hierin komt de verzekeringsarts b&b aan de hand van dossier en de telefonische hoorzitting, gehouden op 25 augustus 2020, tot de volgende conclusie. Aannemelijk is dat eiseres is uitgevallen met psychische klachten, die samenhingen met burn-out en een angst- en paniekstoornis alsmede mogelijk depressie. Ook kan worden aangenomen dat eiseres deze klachten al vóór september 2019 heeft ervaren. Toch kan hieruit niet worden afgeleid dat eiseres vanaf 13 februari 2019 aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest. Uit de ingewonnen medische informatie is gebleken dat eiseres slechts af en toe contact met de huisarts heeft gezocht. Een duidelijke diagnose is hierbij niet vastgesteld. Weliswaar heeft eiseres regelmatig verzuimd, maar er zijn ook periodes geweest waarin zij redelijk heeft gefunctioneerd. Zo heeft ze eindexamen gedaan, het sporten weer opgepakt en soms ook werkzaamheden verricht. Pas in september 2019 heeft eiseres een verwijzing naar de psycholoog geaccepteerd.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om het medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig te achten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts b&b. Deze arts onderschrijft het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres 1 september 2019 is. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat er in de periode van 28 maart 2019 tot en met 14 november 2019 wel een aantal keer contact is geweest tussen de moeder van eiseres en de huisarts omdat bij eiseres sprake was van gevoelens van angst, lusteloosheid en moeheid. De enkele mededelingen van de moeder aan de huisarts over de psychische toestand van eiseres is echter onvoldoende om aan te nemen dat eiseres in die periode door ziekte zodanig beperkt was dat zij niet kon werken. Ook de verklaringen van haar ex-collega’s, de e-mailberichten met ziekmeldingen aan haar voormalig werkgever en docenten van school, zijn onvoldoende omdat zij geen medisch objectiveerbare informatie bevatten. Weliswaar is sprake van een doorverwijzing naar PsyQ, maar eiseres heeft in die periode niet daadwerkelijk hulp gezocht. Daarnaast heeft zij in genoemde periode blijkbaar door kunnen werken. In september 2019 is pas een concrete stap naar een behandeling gemaakt, waarna zij naar een gespecialiseerde instelling is verwezen. De geclaimde arbeidsongeschiktheid is daardoor pas vanaf september 2019 medisch objectiveerbaar. Voor het aannemen van aaneengesloten arbeidsongeschiktheid vanaf 13 februari 2019 ontbreken concrete aanwijzingen. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de gevolgen van de omstandigheid dat de exacte medische situatie van eiseres per 13 februari 2019 door de late melding (op 1 november 2019) achteraf niet volledig te reconstrueren of te bewijzen is, volgens vaste rechtspraak voor risico van eiseres dient te blijven. Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013: CA0842.
Beslissing
mede te ondertekenen.