ECLI:NL:RBDHA:2021:14504

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 oktober 2021
Publicatiedatum
27 december 2021
Zaaknummer
SGR 21/5933
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning dakopbouw studentenwoningen

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een extra dakopbouw op een woning, waarin drie studentenwoningen worden gerealiseerd. Verzoekers, buren van de woning, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege verlies van zonlicht, uitzichtbelemmering, waardevermindering van hun woning, parkeerdruk en mogelijke overlast.

De bezwaarprocedure leidde tot een beslissing waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en enkele voorschriften werden toegevoegd. Verzoekers zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder schorsing van de vergunning tot zes weken na uitspraak.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de bouw al in een vergevorderd stadium was en dat de dakopbouw qua afmetingen en positionering binnen het bestemmingsplan past. Hierdoor kan het belangrijkste bezwaar, het verlies van zonlicht, niet meer worden weggenomen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de vermeende overlast en parkeerdruk op korte termijn zullen optreden. Daarom ontbreekt het aan onverwijlde spoed en spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/5933

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: S.A.N. Geerling),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder(gemachtigde: mr. N. Gündüz-Bouchotrouch).

Als derde-partij neemt aan het geding deel
: [derde-partij], te [woonplaats] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).

Procesverloop

In het besluit van 22 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] te [plaats] door het maken van een extra bouwlaag ten behoeve van drie studentenwoningen.
In het besluit van [huisnummer 5] juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2021 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verweerder heeft aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een dakopbouw op de woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] te [plaats] . Het gaat om een extra bouwlaag waarin, volgens het bouwplan, drie studentenwoningen worden gerealiseerd. Deze drie woningen krijgen de huisnummers [huisnummer 2] , [huisnummer 3] en [huisnummer 4] .
3. De vergunning is verleend voor de activiteit ‘bouwen’, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4. Verzoekers wonen aan de [adres 2] [huisnummer 5] te [plaats] . Deze straat loopt parallel aan de [adres 1] . Verzoekers kijken vanuit de achterzijde van hun woning uit op de achterzijde van de woning aan de [adres 1] [huisnummer 1] .
5. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd dat de extra bouwlaag het uitzicht ontneemt en de hoeveelheid zonlicht beperkt. Door de vermindering van het woongenot wordt hun woning minder waard, aldus verzoekers. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat de parkeerdruk in de wijk al hoog is en dat de bewoning door studenten (geluids)overlast gaat veroorzaken.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Conform het advies van de bezwaarschriftencommissie zijn wel drie voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden:
de drie woningen mogen elk door alleen één student worden bewoond;
de parkeerplaats aan de [adres 3] [huisnummer 6] blijft gereserveerd voor bewoners van de [adres 1] [huisnummer 2] , [huisnummer 3] en [huisnummer 4] ;
er moet worden voldaan aan de nieuwbouweisen voor fietsparkeren.
7. Verzoekers zijn tegen de beslissing op bezwaar in beroep gegaan. Ook vergunninghoudster heeft hiertegen beroep ingesteld.
8. Hangende hun beroep hebben verzoekers verzocht om een voorlopige voorziening. Verzoekers vragen om schorsing van de beslissing op bezwaar en de omgevingsvergunning tot zes weken na de datum waarop uitspraak is gedaan. In het verzoekschrift is verder vermeld dat de bouwwerkzaamheden inmiddels zijn begonnen.
9. Op 9 september 2021 hebben stadsinspecteurs een controle uitgevoerd op locatie. Er zijn tijdens die controle foto’s gemaakt.
10. Naar aanleiding van het verzoekschrift heeft de rechtbank verweerder verzocht om na te gaan of er bij de vergunninghoudster bereidheid bestaat om de bouwwerkzaamheden tot nader order te staken. Verweerder heeft vervolgens laten weten dat de gemachtigde van vergunninghoudster heeft bericht dat die bereidheid er niet is.
11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
11.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Als geen onomkeerbare situatie dreigt, ontbreekt spoedeisend belang, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
11.2.
Voor wat betreft de betrokken belangen geldt dat van de zijde van verzoekers ter zitting is toegelicht dat voor hen het belangrijkste punt is dat de extra bouwlaag zonlicht wegneemt uit hun tuin.
11.3.
Op de foto’s die door verweerder zijn overgelegd (zie rechtsoverweging 9) is te zien dat de bouw van de extra bouwlaag zich al in een vergevorderd stadium bevindt. De extra bouwlaag, waarvan niet in geschil is dat deze voor wat betreft afmetingen en positionering past binnen het vigerende bestemmingsplan, is al aanwezig. Met name het interieur moet nog worden afgemaakt. Het realiseren van de extra bouwlaag kan met deze voorlopige voorziening dus niet meer worden voorkomen. Met de schorsing van de omgevingsvergunning zou daarmee niet tegemoet worden gekomen aan het belangrijkste bezwaar van verzoekers: dat zij minder zonlicht in hun tuin hebben. Omdat de extra bouwlaag er al staat, zouden verzoekers bij toewijzing van de voorlopige voorziening nog steeds geconfronteerd worden met de beperking van het zonlicht en de belemmering van hun uitzicht. In zoverre hebben verzoekers bij hun verzoek dan ook geen spoedeisend belang.
11.4.
Verzoekers hebben tot slot naar voren gebracht dat zij ook vrezen voor overlast en een toename van de parkeerdruk. Het is echter niet gebleken dat er op korte termijn huurders in de woningen zullen trekken. Er vinden nog werkzaamheden plaats om de woningen geschikt voor bewoning te maken. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat deze overlast, als die zich al op korte termijn voor zou doen, voor verzoekers dermate ernstig is dat de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
11.5.
De slotsom is dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.A. Linthout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.