Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een extra dakopbouw op een woning, waarin drie studentenwoningen worden gerealiseerd. Verzoekers, buren van de woning, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege verlies van zonlicht, uitzichtbelemmering, waardevermindering van hun woning, parkeerdruk en mogelijke overlast.
De bezwaarprocedure leidde tot een beslissing waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en enkele voorschriften werden toegevoegd. Verzoekers zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder schorsing van de vergunning tot zes weken na uitspraak.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de bouw al in een vergevorderd stadium was en dat de dakopbouw qua afmetingen en positionering binnen het bestemmingsplan past. Hierdoor kan het belangrijkste bezwaar, het verlies van zonlicht, niet meer worden weggenomen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de vermeende overlast en parkeerdruk op korte termijn zullen optreden. Daarom ontbreekt het aan onverwijlde spoed en spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening is dan ook afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.