ECLI:NL:RBDHA:2021:14511
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. de Kleine
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid niet onzorgvuldig
Eiser werkte tot eind 2017 als productiemedewerker en meldde zich ziek met knieklachten. Verweerder beëindigde de Ziektewetuitkering per 2 april 2019 na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling die concludeerden dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn artrose progressief is, waardoor verbetering onwaarschijnlijk is. Hij betwistte ook de geschiktheid van de geduide functies.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de primaire verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar & beroep, die geen aanleiding zagen om van de beperkingen af te wijken. De contra-expertise van eiser bracht geen nieuwe medische feiten aan het licht die tot andere conclusies leiden. Ook de arbeidsdeskundige beoordeling werd bevestigd, waarbij de functie stikster meubelbekleding werd vervangen door een reservefunctie, zonder wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
De rechtbank concludeerde dat eiser, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, in staat is de geduide functies uit te oefenen en meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Daarom is de beëindiging van de Ziektewetuitkering terecht en is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering is ongegrond verklaard.