ECLI:NL:RBDHA:2021:14532
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij een besluit van 11 september 2019.
Na het indienen van bezwaar en het afwijzen daarvan bij besluit van 8 december 2020, hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegelijkertijd verzochten zij om een voorlopige voorziening om het primaire besluit te schorsen gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er inmiddels een uitspraak is gedaan op het beroep (zaaknummer AWB 21/45) en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening daarom kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en het verzoek wordt afgewezen zonder mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege de reeds genomen uitspraak op het beroep.