ECLI:NL:RBDHA:2021:14534
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens niet aantonen identiteit en familierechtelijke relatie
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij zijn broer, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met zijn broer niet aannemelijk kon maken. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser onvoldoende waren en dat geen DNA-onderzoek werd aangeboden.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met diverse wetten en jurisprudentie, en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden vanwege het gezinsleven. Ook stelde hij dat ten onrechte van horen in bezwaar was afgezien. De rechtbank verwierp deze gronden omdat eiser onvoldoende onderbouwing gaf en het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen nader onderzoek heeft aangeboden en dat de aanvraag op goede gronden is afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.